Hoe het allemaal begon

WilHelm Mus,

De overgrootvader van de grootmoeder van de huidige kaarsenmaakster werd door alle dorpsgenoten (in zijn geboortedorp) in Beieren Willem Helm Mus genoemd. Burgemeester Jacoba van dit dorp in Beieren, niet te verwarren met Jacoba van Beieren want die kwam uit een ander dorp in Niedersachsen, sprak op een dag het verbod op het dragen van helmen uit, aangezien het bij winterdag en zware hagelbuien bekant onmogelijk werd elkaar nog te verstaan op straat, vanwege het gekletter van het hagelijs op ijzer.

Willem Mus werd indirect slachtoffer van dit verbod en kon zijn beroep van houthakker en eierzoeker niet meer uitoefenen omdat hij de eieren altijd onder zijn helm bewaarde. Voorheen deed hij dat onder zijn pet maar vanwege het feit dat hij niet veel onder de pet had werd hij houthakker en droeg een helm.

Het feit dat hij z’n geliefde, niet te verwarren met een deerne, tweede naam niet meer mocht dragen besloot hij van beroep te veranderen en als zandloper naar Nederland te verhuizen. Het beroep van zandloper was zo gevaarlijk, aangezien hij met een zware zak zand hardlopend en kaarsrecht, om op tijd en voordat de zak leeg was op z’n bestemming te komen, zo hard door bossen rende, dat hij z’n Helm weer kon dragen. En aldus als Wil Helm Mus de zandloper bekend werd.

Volgens de overlevering werd de eerste kaars op aarde, in die tijd nog volledig onbekend, genoemd naar de kaarsrecht zandlopende Wil Helm Mus, in zand gegoten. Toen Wil hier zandlucht van kreeg ontstond bij hem het spontane idee zeeman te worden. En aldus geschiedde… Hij werd geen zeeman.

Echter de overeenkomst tussen zijn beroep als zandloper en een kaars stemde hem tot nadenken. Een kaars brandde immers helemaal op zoals ook hij helemaal opgebrand was wanneer hij wederom een zak zand moest afleveren en meestal dan ook een kort lontje van vermoeidheid had.

En aldus geschiedde 2, Wilwildewel een kaars maken. Van de restjes zand van zijn zandloperij maakte hij een kuiltje en goot daar een beetje vet (cool bestond toen nog niet) in. Van z’n jutezak maakte hij een lont en voilà; zijn eerste kaars was een feit.

Zijn tweede kaars duurde wat langer. Ten eerste moest hij op zoek naar vet en ten tweede wist hij het zelf niet en wat ook niet. En aldus geschiedde er niets. In het Groninger dorp Drierum woonde een slachter die een kaarsenmaker zocht voor het maken van worst. Wil had wel niet veel ervaring met één kaars maar dat kon hem worst wezen, hij was tenslotte kaarsenmaker nietwaar en hij wilde dat werk.

De slachter deed al het vlees in een zak met een gat, kookte het en deed er een ijzeren band om. Door de ijzeren band steeds strakker aan te draaien perste hij een soort worst uit de zak. Wil had het trucje snel door en maar draaien en maar draaien, maar niet snel genoeg.

Hij zei tegen de slachter: “Er moet nog een band om de zak!”. Maar er was zo’n herrie dat de slachter riep: “Waaaaa?” (dialect) en Wil zei: “d’r mut d’r nog eenrum (ook dialect) en later nog eenrum”. Het toeval wilde dat er net een reiziger voor de deur stond die aan de bakkersknecht vroeg: “Hoe heet dit gat?” en de bakkersknecht zei: “Waaaaaa?” (dialect) en Wil riep: nog “een rum”.

En sinds die tijd heet het dorp Mensingeweer.

Naast de slachter in Drierum woonde een timmerman die tegen de kerst op reis wilde en een opvolger voor zijn pand zocht. Wil Helm Mus had hier wel oren naar.Dan kon hij misschien wel een kaarsen-in-het-zand-gieterij beginnen. En aldus geschiedde: Drierum had de eerste kaarsen-in-het-zand-gieterij. De gieterij in Drierum, wat na de drooglegging (van de Lauwerszee) Eenrum heet, trok mensen van heinde en verre. Soms was het er zo druk dat Wil naar buiten moest lopen om van gedachten te wisselen. In die periode heeft hij zijn naam ook maar wat korter gemaakt als Wilhelmus uit één stuk.

Heden ten dage is Kaarsenmakerij Wilhelmus een modern “bedrijf” en zijn we 43 generaties verder maar nog steeds ambachtelijk en met reuzeleuke nazaten van Wil Helm Mus.